Wij werken in opdracht van de Provincie Gelderland en de Provincie Overijssel

Geplaatst door op met onderwerp

Op 31 januari 2019 werd de biografie van Wil Cornelissen gepubliceerd.

Precies drie jaar na de plechtige onthulling van zijn grafsteen (matseiwa) op de Joodse begraafplaats in Zwolle, werd 31 januari 2019 de biografie gepubliceerd van Wil Cornelissen. Deze ‘leraar en pleitbezorger van het Joods cultureel erfgoed’ kreeg een door historica Annèt Bootsma – van Hulten geschreven lemma op de website www.wieiswieinoverijssel.nl

De geboren Zwollenaar keerde in 1975, na een carrière elders in het onderwijs en het jeugdwerk, terug om te gaan werken aan de Ambelt, een school voor jongeren met ontwikkelingsstoornissen. Bij het publiek werd hij vooral bekend door zijn onophoudelijke inzet voor het Joods cultureel erfgoed via lezingen, voordrachten, rondleidingen en publicaties. Zijn wellicht meest bekende gedicht heet ‘14 april’, naar de dag waarop Zwolle in 1945 werd bevrijd. Hij kon het zelf bijna niet anders dan tot tranen toe geroerd voordragen.

14  APRIL

Al sinds mijn vroege jeugd
ken ik de dagen en de jaren
van geboorte van vader, moeder, al die anderen.
Dat was voor iedereen een vreugd.

 

Nog ken ik de geboortedagen
van oma, opa, nicht en neef.
Ik ken ze goed, zoals hun lief gezicht,
lang na vijfenveertig op mijn netvlies bleef.

 

Ik ken ook altijd nog de 14e april,
de dag waarop ik zag drie jaar verborgen joden,
de tranen, vlaggen, het Wilhelmus,
de eerste Canadees, Major, als glorieuze spil.

 

Die dag, de mooiste van mijn leven,
de zwarte hoge hoed van buurman meester Haan.
En het portret van Willemien,
nog nooit zo koninklijk gezien.

 

De verzetsman Bertus Doorn, een pacifist.
nu lopend met een wapen, een stengun,
veel zaken hoorde ik veel later
waarvan ik toen, als jongen nog niets wist.

 

Ik zie de mantel van mijn moeder,
zij knipte toen haar ster er af.
Die ligt, diep weggezonken in een kast,
omdat ze mij die ster toen gaf.

 

Ik ken de verjaardag nog van tante Claar,
van Hans en Leonie,
de dagen van oom Jochem , Elly, Rika, alle anderen,
van kleine Emmy, Erich, van oom Cor.
Verdwenen…Westerbork…Auschwitz…Sobibor.

 

Er zijn wel honderd dagen in mijn hoofd,
de dagen die ik nu nog weet,
ik heb ze als kalender nog gereed,
mijn hele leven meegedragen.

 

Maar als straks de grote mist opkomt
ik oud ben en der dagen  zat,
als dat zo moet, laat mij dan alles, iedereen vergeten,
de dag van vrouw, van kind, van vriend, vriendin,
mijn hersens weggedwaald in tijd en ruimte,
de tijd waarop ik niets meer weet, geen eind en geen begin.

 

Ik heb dan slechts één wens
een dag nog dat ik wil.
Laat desnoods alles mij dan weg zijn
laat mij dan alles, alles gaan vergeten.
Maar laat dan één beeld nog bij mij blijven
die Canadees…

Op die veertiende april.